Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cp nieuw de herhaaling der geheele hiftorie en vaa alle omfhndigheden, vergen: en gij zelve begrijpt, — mijne broeders! — hier van de ialtigheid en zomtijdé de haatelijkheid; gij begrijpt, hoe ligt de zaaken, door het voortvertellen van den eenen aan den anderen, eene geheel andere gedaante krijgen , en hoe ligt de een of ander daar door , dikwils buiten of boven fchuld , haatelijk gemaakt en beoordeeld wordt; en, hoe noodig het, zoo wel voor de eer van anderen, als voor de mijne is, door een getrouw en naauwkeurig verhaal, den mond te ftoppen aan de vei zinzeis der 'panijfchap, die doorgaans zoo wel over de eene ai» andere zijde mank gaar.

'Er is nog eene andere reden, ten aanzien der Gemeente. Men beichouwt zonuijds deeze geheele zaak als een Cefcbil, een Twist tusfcben mijne waarde Collegen en Mij, en ik weet niet, waarom 'er lieden zijn, die vermaak hebben in het opkweeken en laaten loopen van zulk een misfelijk kind der verbeelding , dac vergezeld is van partijdigheid , laftering , kwaad nadenken en fcheuringen , terwijl intusfchen de geheele zaak niets anders is, dan een problematiek verfchil van denkwijze, niet over de Belofte, maar over de wijze van Belofte, veroirzaakt door een verfchillend oogpunt van befcbouwing, waar uit een verfchillend oordeel, en dus verfcbillende handelwijze volgen moest, maar waar bij aller hart eeven eerlijk, en naar principe, handelde, iets dat honderden maaien gebeurt , maar tusichen eerlijke Amptsbroeders geene vermindering in wederzijdfche achting en liefde kan, — immers niet behoort, — te baaren. Dat hierom deeze Memorie, " onder het oog der Gemeente, ja, onder het oog van heel het Vaderland, ingeleeverd worde, en aan mijnen kant, zal men , uit deeze Memorie, zien , dat ik, door het opgeeven van de gronden ter mijner verdeediging , geen doelwit heb om mijne Collegen te befchuldigen of in verdenking te brengen , gelijk ik boven opzetlijker herinnerd heb, maar dat ik recht doe aan hunne eerlijkheid niet alleen, maarte gelijk, hoe hooge gedachten ik mij vorme van hunne cordaate Broederlijkheid, en wat ik , hunne harten bereekenende naar het mijne, van hun Hoog- en WeiEer waardens durve verwagten; maar ook, aan Uwea

kant,

Sluiten