Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 6 >

waar mede dezelve overéén/temmen, en welke de éénzelvigbeid mijner handelwijze ontegenzeglijk beveftigen.

Zonder mij dan, nu of in her vervolg, op re houden met Libellen, i .afterfchriften of diergelijke Pamphlets, waar in men anderen zwart maakt, om zelve wit te fchijnen, en waar op het bekende Dijlichon past:

Deferat in vicum, vendentein tb lis & odores Et piper, & qukiquid cartis amicitur ineptis.

zal ik, naar waarheid en in eenvouwigheid des hrrteii," de gefchiedenis van al het voorgevallene opgeeven, en het oordeel aan elk, die een welgeplaatst hart bezit, zelve overlaaten, terwijl in alles mijne redenen de op' rechtigbeid mijnes bar ten , en de weettnfcbap mijner lippen , bet geen zuiver is, zullen uit fpreeken, jFob 33: 3, en ik aan den Partijdigen de oude fpreuk herinnere : Trmvrwg » tSto awirltov , oei? owro iiTsiiv, «AAas TTÓTtgov osAtj^êV Atyercti. Men moet voor alle dingen in aanmerking neemen, niet, wie iets gezegd beejt, maar met hoe veel waarheids iets gezegd wordt,

In mijne te vooren uirgegeevene Deductie heb ik, na eenige voorafgaande algemeene aanmerkingen over de Politieke verlaatingen van Kerkelijke Leeraaren, pag. 1— 14, een breedvoerig verflag gedaan van alles, wat, in het voorige Jaar, voor, bij, en na mijne Remotie zij voorgevallen , pag. 15—118. Onder de Authentieke Stukken, welke daar in vervat en breeder beredeneerd zijn , munten uit mijn gegeeven Advies in het Minifierie, den 13 Julij 1796, waar in ik reeds, vooraf, mijne verwerping van weigering en reflrictien , beneevens mijn gevoelen over deeze zaak, heb opgegeeven, pag. 23—40. — mijne Jufiificatoire Memorie aan den Raad, ingeleeverd 25 Julij 1796, waar in ik de Omisjie en het verkeerd opvatten mijner gezegdens in de Notulen van den Raad, ren minften in het Extract, vrijmoedig aangeweezen , en, na eene recapitulatie mijner waare bedoelingen, mijn mondeling Protest geinhaereerd heb , zonder door den Raad of iemand anders immer te zijn gelogenftraft, pag. 57—71. —_ de Memorie van den groot en Kerkenraad , ter mijner Jujlificatie, ingeleeverd aan den Raad , den

1 Aug.

Sluiten