Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< i66 >

ook met de daad (als God mij het leeven fpaart) vervolgen zal.

Ondertusfchen fhelde de tijd van mijn beraad over de beroeping te Loga, welke ik reeds één en andermaal verlengd had , ten einde , en het zoude tegen alle welvoeglijkheid en orde ftrijdig geweest zijn mijn finaal befluit daar omtrend langer te verwijlen. Aclit dagen lang, — dagen , zoo als ik nimmer eenen vijand zou willen wenfchen , — heb ik ge'leeten in den pijnigenden fchroef der gemoeds- angften , flingeringen en.onzeekerheden , wat weg ik kiezen moest.

— Aan den éénen kant'gedrongen door het wettige, ongezochte en recht-tijdige eener éénpaarige beroeping , die mij den weg opende ter vrije verkondiging van het dierbaar Euangelie mijnes Zaligmaakers, welke mij. in mijne wettige en mij aankleevende Gemeente werdt geweigerd; — aan den anderen kant diep gevoelig over het harde noodlot , om , onfchuldig, mijn Vaderland, Maagfchap, Vrienden en Bekenden, met alle de genoegens daar aan verbonden , te moeten verlaaten , en heenen te trekken naar een Land, waar ik niemand kende , dan mijnen overaltegenwoordigen Verbonds-God alleen, die een God van verre en van nabij is, en wiens oógen aan alle plaatfen zijn,;oru zich fterk te bewijzen den geenen, die op Hem- vertrouwt; — dit alles fchokte mijne geheele ziel en trof de gezondheid van mijn lichaam geweldig, daar mij niets overig bleef, dan een biddend oog op God om wijsheid, genade en krachten,

— Raadpleegde ik hier over mijne verftandige Vrienden , de meefien hunner , fchoon vol deelneeming in mijne omfiandigheden , raaden mij (hunnes ondanks) te vertrekken, behoudens mijn recht in het vervolg; — Mijne Leerlingen echter baden mij haar ten minften mijn bijzonder onderwijs niet te onttrekken , en de Commisfie des Kerkenraads, altoos dezelfde in hartelijkheid en liefde , gebruikte alle de kracht van welzeggen en al het verraoogen , welk zij op mijn hart hadden , om mij te beweegen tot het verblijven in eene Gemeente , die mij zoo hartelijk beminde. — Afgetobt door dit alles bad ik Hem, die leeft en die regeert, d;,t flij mij zijnen wil deedt kennen, en eindelijk heb ik, met volle overtuiging

van

Sluiten