Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 OVER HET MAGNETISMÜS.

De mensch heeft van deeze vloeibaare zel£ ftandigheid in zig. Zij is noodzaaklijk voor zijri bertaan. Een iegelijk bezit daarvan zo veel hij noodig heeft; doch altoos heeft hij 'er zo veel niet van, om 'er aan anderen van te kunnen me. dedeelen (*). Zij is eene der hoofdftoflijkfte en aandoenlijkfïe gedeelten der ziel, en door het geheele lighaam verfpreid. Zij is ligt, fijn en witkleurigs zij word echter, wanneer zij in een fnelle beweeging gebragt is, glinfterende, en neemt ook , naar de verfeheidenheid der omftandigheeden, alle foorten van kleuren aan , gelijk kwikzilver of paarlemoer. Wanneer zij van onsuitgaat fchijnt zij geelagtig, bijna als fpringende vonken. Zij verandert ook van kleur, ingevolge de onderfcheiden gefteldheid der perzoonen. Geduurende het magnetifeeren trekken de zieken deeze magnetifche zelfftandigheid aan, volgens hunne verfchillende behoeften en omftandigheeden, even gelijk de boomen, van onderfcheiden foort, de voor hun dienftige vogten en zappen aan, — of naar zig trekken.

Deeze .Magnetifche vloeiftof bevind zig

in

(*) Ue genieting der Magnetifche kragt, die wij in ons zelve hebben, zonder het te weeten, en die noodzaaklijk tot ons beftaatt is, zou men een onmidlijk Magnetismus kunnen noemen. Weetca; wij echter, wat het Magnetismus zij; wenden wij het zeiven aan, gelijk wij het kennen; en gebruikt onze geest willens en weetensde Magnetifche kragt, dan kan het den naam van middelijk I4ag>( netismus draagen.

Sluiten