Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 OVER HET MAGNETISMUS.

zig, en voornaamlijk God kennen: hij moet bedaard, beftendig en deelneemende weezen (*y Hij moet zig zelve meester; onverftrooibaar; in zig, bij zig, en teffens bij den perzoon zijn, die gemagnetifeerd moet worden: Hij moet niets anders zien; niets anders hooren; hij moet zig de natuur in haare geheele volkomenheid, grootheid en werkzaamheid, en dit Alles, in faamenhang met zig zelve, voorden geest brengen (f)! Hij moet al zijne kragten infpannen, om zig met dit Alles veréénigd te voelen, en zig teffens, met het beste en met het werkzaamfte, dat in de natuur gevonden word , gelijkerhand aangorden, om dus de natuur ten behoeve vivn de natuur te gebruiken : Hij moet eindlijk zijne naauwe betrekking, ten opzigte van de perzoon, die hij Magnetifeeren wil, ten leevendigfte ge» voelen. Als dan ontwaart hij de toeneeming zijner kragten. Hij bekomt gemoedsvrijheid, en geraakt,- om zo te fpreeken, in een zekere na-

tuur-

(*") De zie) heeft 'er het meeste bij te doen, vermits de Magnetflche kragt in de ziet gelegen is. De kragten der ziel derbalven moeten door geene andere uiterlijke werkingen verzwakt worden. Zo 'er de Geest niet mede gemoeid is , dan is het een dood ■werk.

(f) In het ligbaam is de overéénftemming, met de dingen der aarde. De overéénftemming der ziel heeft haare betrekking op zaaken, die boven het aardfche zijn. De overéénftemming van den otest gaat over geestlijke dingen. Dergelijk eene overéénftemming wekt den wil van dtn Magnetifeerder op; en dc.cze geeft zig geheel aan Ggd en de natuur ever.

Sluiten