Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t5 OVER HET MAGNETISMUS.

ftofïijke gedeelten beftaan C) '•> dat onzer aller geest een adem Gods is ; dat de geheele menschheid negtséén lighaam is, en dat de enkele menfchen er de leden van zijn, en dat zij derhalven op het welzijn van hun gemeenfchaplijk lighaam bedagt weezen moeten.

Wanneer de Magnetifeerder zig volgens dit voorfchrift gevormd heeft, dan kan hij werken, dan brengt hij God, de natuur en de menfchen tot elkander, en hierin is het geheim gelegen: dan bekragtigt hij zijnen geest; zet de Magnetifche fterkte zijner ziele aan; maakt zijne Magnetifche vloeihaare zelfftandigheid gaande; geeft aan dezelve, door de beweeging zijner handen, een grooter fnelheid; deelt ze aan hem, dien hij Magnetifeeren wil, mede, en werkt op aandoeningen en gevoel, die hunne zitplaats in de vleeschagtige deelen hebben. Echter brengt hij flegts iets voort het welk hem gelijk is, naamljjk, de Magnetifche zelfftandigheid bij den anderen maakt hij wakker: te vooren vloeide deelen zagter, even gelijk een ftroom, door een dijk geftuit. Thans rukt die ftroom, met de hoogfte fnelheid, voort, daar de dijk om verre ligt, Dus geeft ook de Magnetifche vloeibaare zelfftandigheid van den Magnetifeerder aan die des

an-

(*) Het meerdere of mindere van dit of dat gedeelte, en de ver-fcheiden foorten van vermengingen, veroorzaalten de onderfchei. den Temperamenten, en deezen zijn, uit hoofde van onze beftemming en ons beroep, allernoodzaaklijkst.

Sluiten