Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Natuur is altoos de een van den ander éfhangHjk, en deeze noodzaaklijke betrekkingen zijn de wetten, volitrekt dienfrig ter onderhouding van dë iighaanllijke waereld.

Aan elk Wezen zijn de grenspaalen zijner werkzaamheden ain ge weezen. Zonder verbindtenis met andere Wezens is er geene vordering, geene volmaaking, geene werkzaamheid.

Aldus is de plant afhanglijk van den weldaadigen grond, die haarvoedzel verfchaft. De gunftige hemel doet den daauw in den fchoot der aarde druppen, en deelt deeze hemelfche gift aan de planten en boomen mede.

Alles is goed, zo lang deezé wederzijdfche bemoeijing en medewerking ftand grijpt. Zodra dezelve ophoud, dan ontiïaat er wanorder in de» loop en gefteldheid der dingen.

Wanneer de hemel gierigUjk zijnen daauw terug, en de aarde den ontvangen fcbat der lugt in liaar middenpunt verhooien hield; wanneer er geen werking en tegenwerking meer was, — dan w9s er ook geen leven meer, — dan was alles »op den oever des doods.

Aldus werkt deeze weldaadige pooging, oiri ^emeenfchaplijk te werken, van den zandkorn af tot den moolen'fteen toe: van de geringfte plant tot het grootfte dier: van het dier tot den jnensch, en van den mensch tot den Engel. Trapsgewijze word deeze pooging hoe langer hoe edeler, en wórden de vermogens hoe langer hoe heerlijker. Be behoeften hebben den mensch, in de eerfte

pjaats i

Sluiten