Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

Wie moet niet"meedoogend, maar cok niet dankbaar weenen , wanneer hy het elfde Hoofd-deel van Paulus Briev aan de Gemeente van Romen gefchreeven, inziett — Wie kan zig dan weederhouden, om in verrukhing met dien hoogverlichten Godsman te fluwelen ? O diepte des rykdoms beide der wysheid, en der kennisfe Gods! hoe ondoorzoeklyk zyn zyne oordeelen en onnaipeurlyk zyne wegen!

Aan deez' verheeve taal was ook myn hart geboeid — toen kon ik het vuur dat in my ontvonkte niet dooven. .— Myn lot, daar ik, o eeuwige liefde! een Euangelium had , wierd te grootsch in het verfchiet van dat der dooiende Hebreeuwen, die in het Paradys myne broederen waren — de liefde van Jefus dat Hy op de Heidenen needer zag, daar Hy de Koning der Jooden was, drong my toen tot weederlievde om ook den Jood deeze gebeurtenis in handen te geeven —

Och

Sluiten