Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

[ 6 ]

tweede Maandag in iedere Maand infpecteeren en probeeren, en van hunne bevinding al mede aan de Commisfiën behoorlyk rapport doen, ten einde de defecten die zich daar aan mogten openbaaren, zonder verwyl kunnen worden verholpen.

Art. 18.

De Opzichter over de Brandfpuiten en Gereedfchappen zal naauwkeurig toezien, dat wanneer de Brandfpuiten geprobeerd of gebruikt zyn, alles wederom fpoedig in orde worde gebragt, en dat zoo lange de voorfchreeve Brandfpuiten met derzelver toebehooren niet droog zyn, dezeiven niet in het huisje worden geplaatst, ten welken einde de Slangen op eene bekwaame plaats moeten worden opgehaald en volkomen gedroogd, voorts dat de Spuiten en Aanjagers uitgedroogd en fchoongemaakt, mitsgaders gade geflagen wordt, dat de Iedere pype» der Brandfpuiten van tyd tot tyd behoorlyk worden gefineerd, en alzoo in (raat gehouden , om ingeval van nood te kunnen worden gebruikt.

Art. 19.

Er zullen geene reparatiën aan de voorfchreeve Brandfpuiten met derzelver toebehooren mogen worden gedaan , dan op uitdrukkelyken last en ordre van de voornoemde Commisfiën.

Art. 20.

Niemand zal tot de genoemde Brandfpuiten acces mogen hebben, dan met kennis van den Opzichter over de Brandfpuiten en Gereedfchappen, uitgezonderd de Contrarolleur en de Brandmeester, die insgelyks Sleutels van het Spuitenhuis en van de Loots der Brandgereedfchappen zullen hebben en altoos by zich moeten draagen.

Art. 21.

De Contrarolleur zal ingeval van Brand, op de by deezp Inftru&ie bepaalde plaatfen, zorge draagen, dat in de Vyver een of meerder Schuiten, en eenige Praamen worden gebragt, om daar van des noods tot berging en ophaaling van Goederen gebruik te kunnen maaken, en tot dat einde

Sluiten