Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X 49)

„ me voet veroorzaakte. Was ■ hij zo bevreesd >, niet geweest, hij zou nog zo gazond geweest

zijn, als wij alle. Neen! (voegde Georg er „ bij) ik geloof; 't geen- mijrt vader mij altijd >, geleerd heeft; als de levendigen u geen kwaad ,, doen, de dooden nog minder; voor deze hebt „ gij in 't minst niet te vreezen. Wanneer

wij fterven, komen onze lichaamen in het graf, „ en vergaan, tot ftof. Onze zielen of wij zelf» „ (zeide mijn vader) komen bij God, wanneer ,, wij braaf geweest zijn ; en de goede God ,, zal immers niet willen hebben, dat de kwaade „ menfchen na hunnen dood nog meer kwaad „ doen. Van waar zouden dan de fpooken ko« „ men? — En in 't gemeen, let hier op, mijn „ zoon! wieh de lieve God bewaart, die is wel „ bewaard, en die behoeft voorniets te vreezen."

Zo fprak Georg dikwerf met den jongen Har' tig, en meermaalen verhaalde hij hem foortgelijke gevallen, doch het een baatte zo min als het ander; hij bleef altijd dezelfde. Eens bragt Geo:g het zo ver, dat hij op een fraaien avond, terwijl de maan helder fcheen, met hem in de tuin wandelde. Het was op dat ftond zo helder, als of het midden op den dag geweest was. Toevallig hadt de meid in de tuin een hemd te droogeïr. gehangen, het welk de gedaante hadt van iemand, D die

Sluiten