Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 71 )

verdedigen, dien hij zo weinig kent: veel rntö zou hij mij vergen, om zo iemand op nieuw iff dienst te nem:n.

Nu vriend! zeide de DoSor, toen bij wederom binnen tradt , twijfelt gij nog aan de onfchuld van Jan?

Volkomen overtuigd ben ik niet (zeide de vader) ; doch ik zal u een bewijs geven, hoe veel -achting ik voor u heb. Jan zal, indien hij nogf ■in de ftad is, morgen wederom knecht zijn.

De Geneesheer omarmde zijnen vriend: voortreffelijk zeide hij, dat wist ik reeds te vooren, dat Gij niet anders zoudt handelen. <— Daar en tegen beloof ik u, dat Gij, ten minften binnen het jaar alles zult ontwaar worden, wat gij rakende deze zaak wildt weten. —- Ik twijfel niet, of gij zult mij van achteren dank zeggen, daarvoor dat ik uwe vriendfehap dus op de proef gefteld heb. — Dan nu blijft er nog één ding over — ook dat moet ik nog van uwe vriendfehap cisfehen. Jan, dit verzeker ik u nog eens, is geheel onfchuldig. Gij hebt hem dus, offchoon onwetend, onrecht gedaan; doch dit i» gepasfeerd: die arme jonge zal voorzeker veel geleden hebben. — ;...*

Ik begrijp reeds (was het antwoord van den oudsn Heer,) wat Gij begeert. Heb ik hem onE 4 r°<-M

Sluiten