Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<: 96*)

moed. Fr/tf/e was een- braaf kind, en ik wensen, tc we!, dat zij nog bij ons woonde; maar kent gij Lotjen en haar broeder wel ?

emil. Ja wel, lieve moeder! ik ken ze zeer wel ; weet gij niet ? — Toen wij onlangs bij Neef N. waren, heb ik ze leeren kennen.

moed. Dat Gij ze daar gezien hebt, weet ik wel; doch dit vroeg ik eigenlijk niet Ik bedoelde er mede, of gij die twee kinders wel zo goed kende, dat Gij van hun braaf karakter volkomen overtuigd zijt? —

emil. Jazeker, lieve moeder! Lotjen verzocht mij terftond, om haar eens te bezoeken, of, indien ik niet bij haar komen kon, dan moest ik u, verzoeken, of zij wel bij mij zou mogen komen.

kar- Ja, en die Hendrik was ook zo vriende. lijk ; hij verhaalde mij, hoeveel fpelen hij al wist. —

emil. 't Was jammer, dat ze zo fpoedig moesten vertrekken. —

moed. 't Zou u dan wel zeer aangenaam zijn, indien ik die kinders eens bij u verzocht? —— Nu! welaan! wanneer ik er u eenigfins mede vermaaken kan , dan zal ik ze tegen morgen namiddag, wanneer ik alleen thuis ben, laten verzoeken.

emil. en kar. O! dat is voortreffelijk; dat is

uit-

Sluiten