Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 99 )

genoeg, wanneer wij het niet verklappen, dat hij zo veel groente en ooft aan andere verkoopt.

e m i l. Hebt gij dat dan nog niet aan uw vader, gezegd? —

lotj. Wel neen wij; vader heeft het ons insgelijks verboden om iets afteplukken. Maar wanneer de karfen en aardbeijen of ander ooft rijp zijn, dan behoeven wij flechts den tuinman te vragen, en die plukt dan, zo veel wij hebben willen.

Emilie ftondt verfteld, toen zij Lotje zo hoorde fpreken, zij zag rondom of iemand het ook gehoord hadt; zij was ten oogmerk, om Lotjen het verkeerde van haare handelwijs onder 't oog te brengen, toen Hendrik kwam aanrennen. — Waar is mijn broeder, vroeg Emilie: terftond-,

Hendrik Och! met dien kan ik niets begin, nen. — (Hier begon hij Karei voor al wat lelijk was uit te maaken.) Daar in dien heek heeft hij een klein tuintje, waarin hij allerlei gemeen'goed geplant heeft. Ik zei hem dit, en fcheurde dat goed uit de grond. — Daar begon hij terilond over te kermen, als of ik hem een vinger afgetrokken had. — Onvoorziens brak ik een klein takjen van een boom Daar begon hij op nieuw te fchreeuwen. <— „ Ach, wanneer mijn vader dat ziet — „ wat zal die zeggen —".

Ga Emi-

Sluiten