Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 101 )

hendr. Wel aan dan, hebt gij geene wipplank ?

lotj. Ja! ja! dat was goed; mair dan moet srw broeder er ook bij zijn. Wacht ik zal hem haaien.

Lotjen liep terftond voord.

emil. Ja; dat was wel, indien wij eene wipplank hadden ?

hendr. Dat maakt geen zwarigheid; wij zullen fpoeJig maaken , dat wij er ééne hebben. — Zie daar ftaat een bank , die is er zeer gefchikt toe: en voor bij de poort van de tuin heb ik planken zien leggen; laat ons eene van die hier na toe dragen.

emil. Ja, was er Hechts iemand, om die plank tc dragen. ——

hendr. De tuinman is immers hier; daar ginder ftaat hij te arbeiden : ik zal hem gezwind roepen.

emil. Neen, doe dat niet; hij heeft thands veel te doen voor mijn'vader, en dan mogen wj hem van zijn werk niet afroepen.

hendr. Daar mede zou zo veel tijd niet verloren gaan: — nu, dat zij zo, dan kunnen wij zelf de plank haaien.

emil. Dan zouden wij groot gevaar lopen, om onze klederen te bederven. De planken zijn zo G 3 mor-

Sluiten