Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X *02 )

morlig, oek zijn ze veel te zwaar voor ons. Geef liever een ander fpel op.

hendr. Dat is dan al wederom mis — 't is zulk een vcrmaaklijk fpel. Maar zacht, ik weet al wat; daar ginder liaan ledige bloempotten; laten wij er een paar op de bank zetten, en goojen met iteenen naar dezelve. Gij zult eens zien, hoe vcrmaaklijk dat is.

emil. Dat kan wel zijn, maar wij zijn hier iri de tuin, en daar mogen wij met geen fteenen werpen. Ook behooren de bloempotten ons niet toe. —

Nauwlijks hadt Emilie dit gezegd of zij hoorde haar broeder Karei van verre kermen, och, mijn hoofd! mijn hoofd} — Hoor eens, zegt zij tegen Hendrik , hoor eens mijn broeder fchrceuwt. Kom fpoedig, wie weet wat hem overgekomen

is. Zij liepen gezwind naar het kleine tuintjen

van Karei. Daar flondt dat, arme kind met beide handen aan zijn j hoofd. Lotje itondt naast hem luidkeels te lachen, zo dat zij haar lijf moest vasthouden. — Och (riep zij zo ras zij Emilie en Hendrik zag) is dat lachen! — Men zou zich dood lachen. '

. Het onbezonnen meisje, die weggegaan was om Karei te haaien, .vondt hem bezig met de gewas-

fen

Sluiten