Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 120)

eerst dit werk moest afdoen , en dan kon ik gaan wandelen. —

ferd. O, wat fpijt mij dat! Ik was zo blij, om dat ik ii iets wilde toonen.

jül. Dat kunt gij naderhand immers ook doen ?

f e r o. Neon, naderhand is het te Iaat,

jul. Dan kan ik er u niet mede helpen, maar kunt gij mij niet vertellen, wat gij mij toonen wil» de ? zeg het dan, wat is het ?

ferd. Dat zou ik wel kunnen doen , —maar — ik wenschte, dat gij gereed waart! — Nu dan — ik ging beneden in de tuin geheel alleen,

jul — Ja wel — en daar heeft mijn broeder gezien dat de aardbefien rijp zijn — niet waa^ — dat is de geheele klugt. —

ferd. Wel, het mogt wat. — Dat zou ook wat zijn. Al waren ze rijp, dan mogten wij er toch niet van gebruiken. —

jul. Nu, wat is het dan?

ferd. Toen ik aan het gat kwam, waaruit de tuinman het water fchepte, fprongen er wel dui* Tend kikvorfchen uit.

jul. Wel foei! ik hoop toch piet, dat gij mij dezelve wüdt toonen?

ferd. Neen,iets datveel/raajer is". Hoor Hechts. Toen ik Hond en zag hoe die kikvorfchen vrolijk om fprongen , kwam Jan. —

jvu,

Sluiten