Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 122 )

Julie, dat gij, die de naam vaneen verftandig meisjen wildt hebben, zo afkeerig zijt van een kikvorseh. Doch gij Ferdinand hebt niet minder ongelijk, daar gij uwe zuster zo plaagt.

ferd. Maar waarom gedroeg zij zich zo kinderagtig — ?

vad. Dan is het uw zaak nog niet, om haar daarvoor te beftraffen: of zo gij haar al dit gebrek wildt afwennen, dan moest dit op eene andere wijze gefchieden. — Zij is zeker moeilijk geworden.

ferd. Och neen! dat heeft geen nood; niet waar lieve Julie! gij zi't op mij niet boos? — (Met een liep hij naar haar toe, om haar te omhelzen: Julie ging terug, en badt dat hij haar toch niet wilde aangrijpen.)

De vader zag hierop de handen van Ferdinand; zie eens zeide hij tegen Julie, zijne handen zijn zo zuiver als mijne en uwe. Wildt gij mij nu wel de

hand geven, nu ik zijne hand aangetast heb? -

Hij liet de hand van Ferdinand los; Julie gaf hem ook een hand. — Mag Ferdinand u nu nog niet aantasten ? vroeg hij. —

jul. Men zegt, dat de kikvorfchen' vergiftig Zijn.

vad. Wie u dat gezegd heeft, lieve kind! die weet het zelf niet. Geloof mij, ze zijn indedaad Sliet vergiftig.

Sluiten