Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 333 >

moed. Let nu eens op, hoe onrechtvaardig gij omtrend dat arme dier geweest zijt. — Hoe veele fouten begaat gij wel, en nochthands wilt gij om eeu kleine fout dat dier zo hard behandelen. Uwe ■nieuwsgierigheid dreef u naar de deur; uit omoorzigtig' heid laat gij dat ftukjen koek liggen; — uit overij' ding, ja bijkans zou ik zeggen, uit onverftand be» ftraft gij een dier over één kleine fout, — gij beftraft hetzelve met flagen; en daar gij Hechts een weinig gekrabt zijt, heft gij terftond een kinderag. tig gefchreeuw op, als of er, ik weet niet wat, gebeurd was. Gij zijt nieuwsgierig , onvoorzigrig, overhaast, uit onverftandigheid onrechtvaardig, kinderagtig — en uw katjen in allen gevalle flechts een wein'g fnoepagtig. — Herinner u nu eens toen gij ook nog zo fnoepagtig waart, wanneer ik utoen telken keer met flagen hadt willen beftraf. fen, hoe zou u dat gefmaakt hebben ? — En bo. ven dat alles hadt gij verftand, en wis:, dat het verkeerd was.

Lotje, befchaamd door deze billijke beftraffing, zag dan eens op haare hand , dan weder op de kat, die onder de ftoel gekropen was. Haare moeder haal. de intusfchen een doekjen, om de bebloede hand te omwinden. — Het deedt Lotje nog al zeer.

Wilt gij, zeide de moeder dat ik de kat nog meer beftraffèn zal?

I 3 tOT-

Sluiten