Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 166)

ovcrhieldt liet hij zijne beide zoonen bij zich komen. Ik kan u niet beichrijven, welk eene treurige vertooning het was, toen beide kinderen voor hem Monden en hij tot hen wilde, doch van aandoening niet konde fpreken. Aandoenlijk was het te zien, hoe Karei zijne hand drukte en kustte, en hem fmeekte, om toch niet al te zeer bedroefd te zijn. Indien de menfchen ook al géén medelijden met ons hebben, zeide hij, dan zal God ons toch niet verlaten. Gij hebt mij zo veel laten leeren, dat ik den een of anderen zeer wel van dienst zal kunnen zijn. Misfchien neemt de een of ander zich onzer aan; och lieve vader! geef den moed dan niet verloren. God zal ons niet geheel ongelukkig doen worden. —

Neen lieve zoon! dat vrees ik niet, zeide de vader; hoe wel wij voor tegenwoordig echter weinig hulp van menfchen kunnen verwachten. Gcd weet, wat al middelen ik beproefd en ondernemen heb; hij weet ook, dat ik geen oorzaak van dit onheil ben- Gij mijn lieve Karei! zult zeer wel voordkoomen in de wereld; God zal voor u wél zorgen ; maar Willem! Willem l wat zal er van u nog worden! Ach, dat gij den raad van uw vader en leermeester opgevolgd hadt, dan zoudt gij thands in ftaat zijn, om de vi ereld van nut te zijn, en daardoor voor u zelf een beftaan te vinden.

Sluiten