Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' X 170 )

geerte van dien vreemdeling te vol.ioen. - Z» ns hy hem ontmoette, kwamen 1 em de traanen in de oogen. —

Nu, mijn lieve j0„gen! wiIdt gij ^ rM y^ gezellen? wildt gij „iet met mij rei/en?

Ach! mijn Heer! antwoerde Karei. — God zal mv menschiievend aanbod u vergelden; maar mag ik u bidden, maak dan toch niet, dat mijn' lieve vader er nog meer op aandringt , -dat ik uw voorftel inwflNgè'; ik megt hem niet kunnen wed^flaan, ik mogt, uit hoofde van zijn ernft>g en aanhoudend fmeeken, benuitcn, om met * te gaan; en evenwel ik kan, ik moet het niet doen.

En waarom toch niet ? zeide de vreemdeling.

Neen, amwoorde Karei, ik kan mijn vader'niet verlaten. — Hij is oud, hij is zieklijk, hoewel bij het niet wil bekennen. — De rampen, wel. ken hem troffen, hebbenden grootten invloed ge. had op zijne gezondheid, ar dezelve geheel gekrenkt Wij zijn, wel is waar, bij braave menfchen, maar ik ben zijn kind, en hij kon ir onhandigheden ko.

men, dat hij mijne hulp volftrekt nodig"hadt.

Hij bemint mij zeer, en daarom zou hij zich'zelfs

om mijnen wille opofferen. — neen ik ka»

fcem niet verlaten - laat mij toch bij mijn armen, enden vader. —

De-

Sluiten