Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 9 )

een paal, en wist niet, of hij zou blijven ftaan, of vertrekken.' De klagten van dien arme man, wiens glas gebreken was, en die terftond buiten deur kwam, om den daader optezoeken, ontftelde hem ook zo zeer, dat hij terftond achter deze en geene ftruiken de wijk nam. — Met dat al zou de Schoenmaaker hem wel gezien hebben, omdat de muur zo laag was, indien hij terftond zijne oogen raar de tuin gewend hadt. Doch de vergramde man komt naauwlijks buiten deur, of hij ziet zijn zoon , dien hij daaT aan 't werk gezet hadt, en meenende, dat deze de daader was, geeft hij hem onverhoord verfcheiden Hagen. — Wat ook dat arme kind ter zijner verontfchuldiging inbragt, niets kon baaten: bij floeg met zo veel geweld, dat Frons ten uiterften beangst wierdt. Eindelijk kon hij het gefchreij van dat onfchuldig kind niet langer verdragen. Hij fprong op, kiom op den muur van de tuin, en riep, zo hard hij kon: „ ik ben de daader; ik heb bet ruit gebro„ ken, laat toch dien kleinen ongemoeid!"

De vergramde vader hoorde langen tijd niet, tot dat hij eindelijk Frans op den muur ontdekte. —« Wat is er? riep hij — *

Frans. Slaa toch, mag ik u bidden, dat arme kind zo niet: hij is onfchuldig! —»

Schoenmaker, Wat onfchuldig! Bemoei tl A S toclj

Sluiten