Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 34 )

Slechts een dronk koud water ; (zeide de arme man) — Ach! mijn lieve jonge Heer, bewijst toch een oud arm man dien liefde dienst.

Kar el. (nader komende) Wilt Gij niet liever met mij gaan in dat groote huis ? misfchien hebt Gij ook honger?

De Arme. Ach! ik ben niet in Maat, om een voet te verzetten. Ik heb heden reeds een grooten weg afgelegd, en wilde gaarn nog verder; doch toen ik hier kwam, wierd ik niet wèl, geheel vermoeid en afgemat moest ik mij hier nederzetten. Ik heb heden noch gegeten, noch gedronken. Kont Gij mij voor eerst flechts een weinig water bezorgen, dat zou mij reeds genoeg verkwikken.

Ka rel, Dat zal ik U terftond brengen; — op 't oogenblik ben ik weder bij U. Hij haalde ras zijne zuster wederom in, fnelde haar voorbij; — en toen zij hem riep , antwoorde hij flechts, ik kom aanftonds terug.

De Majoor ftor.dt voor het glas, en zag Karei, alleen, en met zo veel fpoed de plaats opkomen. — Wat is dat? waarom alleen? vroeg hij. — Karei verhaalde hem het geval. De Majoor gaf hem daarop zelf eene fles met water met een glas, waarin hij rog wat Citroenzap drukte. Met rasfe fcnreden Inelde Karei terug naar den armen man. Bij hem komende, ziet hij van verre zijn leermees-

terr

Sluiten