Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 6' 3

Const. (huilende) Neen, dat kan ik niet doenj '— Gij zijt indedaad zeer onheusch en ongedienstig.

Fred. En Gij zeer kinderachtig. —- Hoe kunt Gij van mij begeeren, dat ik iets zal doen , 't geen Vader mij verboden heeft.

Juist kwam de Vader in de kamer , waar zij waren. Fredertk hadt zijn rok over een ftoel gehangen: zijn Vader zag het. Vad. Zie zoo , daar zijn de Zomer-klederen

reeds. Hoe? (terwijl hij nader bij kwam) —

maar één? — hoe komt dat?

Fred. Ik heb niet dan mijn rok gekregen, om dat Gij bevolen hadt, dat ... .

Vad. Ik heb het U belast, Conflantijn i — ik beb u den fleutel gegeven ; waarom hebt gij het goed niet gekregen?

Const. Maar, lieve Vader! het is zo akelig, wanneer men alleen door die groote kamer gaat, en Frederik wilde mij niet vergezellen. —

Vad. Dat was zeer braaf van hem gedaan, want ik had het hem verboden. Maar waarom zijt gij toch zo vreesachtig,'daar hij geene de minfte vrees

hadt? Gij zijt immers alleen in de kamer ge.

weest, Frederik ?

Fred. Ik moest wel, of ik wilde, of niet, om dat Conflantijn zijn rok liever niet wilde hebben,

wan-

Sluiten