Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 68 )

ter Charlttte's lijk gefiaan; en in onze flaapkamer heeft het lijk van onze Grootmoedér gefiaan.

Vad. Zo is 't ook — en hebt Gij nu wel ooit iets gezien? vraag dat aan elk verftandig menscb, wien Gij dan ook wilt , mids een verftandig man; zij alle zullen neen zeggen.

Fred. O, Vaderlief! verhaal ons toch eens die Hiftorie van dien jongeling , die bij een Advokaat was; — weet Gij, — met die draaden — Gij hebt het mij eens verhaald , toen ik ook zo iets gehoord had. —

Vad. Indien Gij U de gefchiedenis te binnen brengt, verhaal Gij dezelve dan.

Fred. Welaan, ik zal het beproeven. — Hoor dan, Conflantijn; — Er was eens een zeker jonge. Hng —

Vad. Foei, dat begint juist zo, als of gij een fprookjen wilde verhaalen. Begin uw verhaal toch op eene andere wijze.

Fred. Goed, lieve Vader! — Een zeker Advokaat hadt twee Jongelingen tot Klerken, beide woonden bij bem in huis, elk op eene bijzondere kamer. De longfte hadt de beste kamer, en de oudfte de flechtfie, daarover was hij nijdig.

Vad. Wie was nijdig? de oudfre of de jongde? Ik verftaa het wel, om dat ik de gefchiedenis weet, om maar voor Conflantijn is het niet verftaanbaar.

Wan.

Sluiten