Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 17 >

HET ONWEDER.

Wanneer Guftaaf zijn tijd wel bedeed, en over dag naarftig geweest was, mogt bij, met zijn Leermeester , tegen den avond eene wandeling doen. Bij voorraad verheugde hij zich dan reeds den ganfchen dag, bij eik blijk van goedkeuring op zijn werk, naardien deze wandelingen voor hem niet flechts aangenaam, maar ook zeer leerzaam waren, en hij , telkens,' nieuwe kundigheden opzamelde. Nu eens gaf men aan een wel bekenden landman in die nabuurfchap een bezoek, en fprak met hem over den landbouw en de veetucht, of ook over de genoegens van het Landleven , dan weder vervoegden zij zich bij een Wijngaardenier, en befchouwden zijne bezigheden. — Op eene andere keer beklommen zij een hoogen berg, van waar men, veele mijlen in 't rond, een vrij en ruim gezicht hadt; hier leerde Guftaaf de nabijgelegene fteden en dorpen , de rivieren en wegen, en de geheele omliggende landflreek kennen: — dan weder doorwandelden zij de velden, om bloemen,en kruiden te versameien , of ook infeöen of kapelletjens te vangen, — ook gingen zij boschwaards, om het aangenaam gezang der vogelen te hooren.—

Op

Sluiten