Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 78 )

Op zekeren dag, terwijl de lucht lieflijk warm was, waren zij , onder de fchaduw van het lommerrijk geboomte, al verder van huis gewandeld, dan zij zelf wisten. — Zij kwamen eindelijk op de vlakte, en nu zagen zij, op 't onverwachst, den garfchen hemel bewolkt. — Niet lang verwijlde het, of zij ontdekten van verre een naderend onweder. — De fchitterende blikfemftraalen werden, van tijd tot tijd, meer vuurig, en de donderflagen fcheenen met meerder fpoed den blikfem te volgen. —

Guftaaf wierdt bevreesd. Diergelijke toneelen had hij, wel t'hi.is, doch nooit op het open veld, aanfchouwd. — Komt, zeide bij tegen zijnen Leermeester, laat ons naar huis lpoeden.

Leerm. Dat kunnen wij onmogelijk, lieve Guftaaf l — Het onweder is te nabij. Al, wat wij doen kunnen, is, dat wij het naastbijgelegen Dorp zoeken te bere.ken, ten einde wij, ten minften, voor den regen mogen beveiligd zijn.

JGust. Mij dunkt, dat wanneer wij hard lopen, wij de Stad nog wel kunnen bereiken. —

Leerm. Al konden wij dit, dan nog zouden wij, door eene iierke beweging, en dat op eenen zo warmen dag, ons te veel benadeelen. — Maar, bijaldien het onweder ons overviel, terwijl wij nog in het bosch waren, wat dan?

Gust.

Sluiten