Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 84 )

de blikfem mij niet treffen. Ik moet. mij" zelf echter niet moedwillig in gevaar begeven, want het ipreekwoord zegt, wie zich in gevaar begeeft, die kan er in om komen, — En wat toch zou het mij baaten , al was ik nog zo benaauwd, ik zou het er veel erger mede maaken — en, gebeurde er een ongeluk, dan zou ik geheel en al verlegen worden, en niet weten, wat ik doen moest. Neen , ik blijf liever gerust, en verwacht met geduld, wat er gebeuren kan; — ilt denk altijd, wat God doet, dat is wel gedaan. — Ziet eens, hoedanig alles hier buiten opgefrischt en verlevendigd is. — Het onweder moet dus van groot nut zijn , wan. neer het al den een of den ander nadeelig zou zijn. —

Thands was het droog, de regen hadt opgehouden, het onweder was over; elk ging nu zijnen weg, de landman naar zijn dorp, en de Leermeester met Guftaaf, langs een naderen weg, naar de Stad. — Onder weg fprak de Leermeester nog met Guftaaf over zijne vreesachtigheid voor het onweder. Hij beleedt openhartig, dat hij volftrekt geen reden wist je geven, waarom hij altoos zo bevreesd geweest was voor het onweder. Misfchien was het met hem gelegen, gelijk met zo veele andere kinderen, die ook van jongs af bevreesd zijn voor hetzelve. Hij zag welligt in zijne eerfte

jeugd

Sluiten