Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de tuin, „ Neen," zeide zij_daarom tegen Louise, „ dat kan niet zijn." é

Grootv. Mij dunkt, bet beste, dat gij doen kunt, is, om fpoedig in de tuin te ga«n en te zoeken: 't zou kunnen phats hebben, dat Louize gelijk hadt. Nu» kom aan, fpoedig! —

Mina kwam bij Hendrik , en luisterde hem ftil iets in. Hendrik begon te lachen — Gij zijt toch niet befchroomd, om alleen in de tuin te gaan, zeide hij vrij luid. — Wat is er te doen ? vroeg de Grootvader. —

Hend. Mina vroeg, of ik met haar wilde gaan. Grootv. Wel zo, Mina! zijt gij vreesachtig? Mina. 't Is buiten reeds zo donker, en, indien mijn breijzak buiten ligt, dan moet hij zeker in het prieel liggen, en dat is geheel achter in de tuin.

Grootv. Gij zijt immers dikwils in de tuin geweest, en wel, dat het veel donkerder was, dan nu. — Foei, Mina, wees geen kind; waarvoor zoud gij vreezen.'

Kar. O Ja! ik weet het: niet waar, Mina, 't geen gij mij verhaalde van Marie.

Grootv. -Hoe ? hebt gij u van die oude vrouw wat laten wijs maaken? wat heeft zij u verhaald?

Mina {bejehaamd en verlegen) — zij.zeide toen, dat het zeker waar was, —

G 3 Groot v.

Sluiten