Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 157 )

komen , van. waar de Grijsaard terftond eenigen zonde j om den gewondsn reiziger te haaien, — of' Almanzor was begeerig te weten, hoe deze man in dien de<rm'swaardïgen toefland gekomen was. — Het was hem onbegrijpelijk, hoe menfchen hunne medemenfehen zodanig mishandelen, ja zelfs hen dooden konden. —

„ Gij weet, mijn Zoon 1 (dus begon de Gr'js„ aard) dat alle menfchen , indien zij er waarlijk „ toe genegen zijn, ook goed kunnen worden; — „ de Godheid heeft dit zelfs gewild — het is haar „ oogmerk met elk fchepzel, dat het goed zal „ zijn — en zij verleent hetzelve tot dat einde de „ vermogens en de gelegenheid ten goede Maar onder zo veele duizenden , die deze aarde be« ,, woonen, zijn er veele, die dikwils tjit dooling „ kwaad doen, wanneer zij meenen, dar zij goed „ doen ; veele , die uit gebrek aan eene goede „ opvoeding niet van jongs op ten goede wierden „ opgeleid i — ja die dikwerf in hunne jeugd „kwaade gewoonten zich eigen maakten, waar„ van Zij zich naderhand niet g-maklijk , ja dik„ wils geheel niet , entdoen konden: — vee'e, „ (en dit is het geval van meest alle menfchen,) „ die uit zwakheid , uit overijling worden weg„ gefleept, tot kwaade bedrijven, die zij nagaans „ wel betreuren, maar'toen niet wederom kunnen „ herftellen. — Uit dien hoofde dan wordt er

„ veel

Sluiten