Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 159 )

,j men." — Hier gaf de Grijsaard hsva eene be^ fchrijving van de menigerleij ellende, waarin de menfchen zich, door hunne eige fchuld, door hunne onwetenheid, door hunne ligtzinnigheid, door hunne hartstochten en driften, doorgaands dompelen , of waarin zij door de boosheid van andere gedompeld worden. —

Almanzor hoorde zijnen vriend met verbaazing en met oplettendheid aan. Onbegrijpelijk was hem vooral de fchets van zo veele ellende onder de menfchen. — Roerloos ftondt hij hem ftijf in de oogen ziende — het beminnelijkst opflag van 't oog, waarin anders menfchenliefde en blijdfchap te lezen waren , was verduistert door een diep gepeins , en, bijaldien hij niet een onbepaald vertrouwen in zijnen leidsman gefield hsdt, zou hij voorzeker geaarzeld hebben, om deze befchrijving voor waarheid aantenemen.

„ Welke is uwe keus?" vroeg de Grijsaard: „ de menschheid, de ongelukkigen in hunne el,, lende te hulp te komen, of u weder in de een„ zaame en ftille woonplaatzen des vredes te be„ geven? — kunt gij nog vermoeden, (vroeg Al „ wanzorg dat ik hier moeite zal hebben, om te ■ ,, kiezen ? ik gevoel, de wooningen, waarin wij „ tot dus verre waren , zijn verrukkelijk, niet „ dan mer moeite zal ik dezelve vaarwel zeggen; „ maar ongelukkigen te helpen levert te groote

Sluiten