Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 161 )

op de oppervlakte, eenige heldere fteenen te fchitteren. — Terwijl hij dien aan den vinger deedt was hij zeer aangedaan. ,, Wij zullen nooit van „ elkander fcheiden" — zeide hij — „ ja dat zij „ zo! (antwoorde de grijsaard; —) mogt ik dien „ ring, na eene reeks van jaaren , met nieuwen „ luider aan uwe hand zien fchitteren," •— „ En „ waarom met nieuwen luifter?" vroeg Amanzor, „ Zie hier," antwoorde de Grijsaard, „ de ftee» „ nen die aanvanglijk op de oppervlakte zichtbaar ,, zijn. Deze zullen de een na den ander te voor„ fchijn komen, naar mate gij u, door goede „ daaden, meer en meer verdienstlijk maakt. — „ O! mogt er geen van die verfcholen of bedekt blijven." —

Eene dier fteenen muntte boven anderen in groot» te uit. — „ Deze (zeide de Grijsaard) zal het

laatst van allen te voorfchijn komen: —- dezelve „ duidt eene zeer verhevene deugd aan — de „ zelfsverlochening en de heerfchappij over u zelf. — „ Nijd en ijverzucht zijn u nog onbekend, maar „ gij zult dezelve kennen, en gelukkig , indien '„ gij dezelve niet bij eigen ondervinding, maar „ door anderen leert kennen. Eens echter zult gij „ de behoefte ontwaar worden, van een vriend te „ moeten hebben, en door niets zoudt gij n „ zelf ongelukkiger kunnen maaken , dan door L «Ie

Sluiten