Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C i«6 )

gevallen knaap optehelpen; -- nu voelde hij geen pijn meer. „ Mogt gij toch elke waarfchnwing zo *> Wel ter harte nemen, zo geredelijk volgen, en „ elke fout zo fpoedig herflellen;" — zeide zijn vriend, toen hij weder terug kwam. — Almanzor kreeg een kleur van fchaamte, en nam voor, om voordaan meer opmerkzaam te zijn.

Karel. Dat is aardig. Zulk een ring wenschte ik ook wel te hebben.

Grootv. Zoudt gij niet denken, dat men zich, ook zonder zulk een ring, wel voor mishagen kan bewaaren? —

Karel. O ja; — maar toch niet zo gemaklijk. —

Grootv. Hoe, wanneer nu elk mensch zulk een ring reeds hadt? — Wat denkt gij er van, Hendrik? — Mij dunkt, wij alle hebben zulk een ring.

Hknd. Grootvader meent welligt, ons verftand, of onze reden , wanneer wij nafpooren , wat regt of onregt is. —i

Grootv. Dat is juist niet geheel mis, maar evenwel bedoelde ik nog iets anders. — Daar is in ons iets , 't geen , wanneer het niet geheel ver. ftompt en bedorven is, ons nog fpoediger, en ten minften even zo fpoedig, als de ring van Almanzor, zegt, wat goed of kwaad is.

Al-

Sluiten