Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c 177 y

hij zich. „ Denk niet, (zeide Husfein) dat ik'i „ eenige verwijten zal doen. Ik ken u, ik ken „ de oogmerken, waarom gij zo handelde. ~ Ik n zou een deelgenoot van de misdaad mijns Vaders „ worden, indien ik hem verdedigen wilde. Doch „ ik ben zijn Zoon, en hij is mijn Vader: gij ver. „ geeft mij, wanneer ik eene kinderlijke traan „ hem wijde. Altoos waart gij mijn vriend, wees „ het ook thands; en verlaat mij niet. ik behoef „ raad en troost. Kom, Iaat ons een weinig ia „ de tuin wandelen; ik heb u veel te zeggen." —-" Almanzor hadt deze aanfpraak niet verwacht — met deelneming befchouwde hij zijnen Vriend —i hij wierdt zeer getroffen door zijne bittere klagten, — en wilde hem volgen — reeds gaf hij hem de hand; — toen hij eene hevige pijn gevoelde aan den vinger, waaraan de ring zat, zo, dat hij de hand moest terug trekken. — Hij zag Husfein fiijf in 't gezicht. Twijfelt gij aan mijne opregtheid, vroeg deze ? Meent gij, dat ik flink, fche bedoelingen koester? — Zie daar, ik ben ongewapend — en al ware ik dit niet, zoudt gij mij zo zeer wantrouwen? — Almanzor hadt er zeker wel reden toe, om wantrouwend omtrent hem te zijn: nog meer , uit hoofde van zijne uitdrukkingen. Doch al ras onderdrukte hij dien verdacht, en, hoewel de ring hem buitengemeen pijn veroorzaakte, hij vergezelde hem,

M Loui.

Sluiten