Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m E È Ë R R Ë D E i

flaaven kochten , ziilks moest gefchieden-, of uit de vreemdlingen die onder hen woonden, of uit de kleine Heidenfche Staaten die rondom hen lagen. — De flaavernij, welke deeze wet? veroorloofde, kon door de Hebreeuwen met; geen' den miirften fchijn van reden zoo wordenOpgevat, dat zij daar door vrijheid verkreegen, om onderdrukking en wreedheid te oefenen , jegens hunne Heidenfche flaaven; want zoodaahig een gedrag omtrent vreemdlingen, hoe ook genaamd, was wel uitdrukkelijk en bij herhaaiing verbooden (g). Zoo verre was de Godlijke wet, ten aanzien van de behandeling der flaaven of flaavinnen , van eenigszins voet te geeven aan eenen bcJccJigücii meester om aanderzelver perfoonen wreedheid te oefenen, dat Zij, in tegendeel, dus fpreekt : Wanneet iemand zijnes dienstknechts oog, of zijner dienstmaagds oog flaat, en verderft het; hij zal hem vrij' laaten gaan voor zijn oog. En indien hij zijnes dienstknechts tand, of zijner dienstmaagds tand nitflaat; zoo zal hij hem vrij

laaten voor zijnen tand (h). Weder-'

O?) Exod. XXII: 21; XXIII: 9; Lev. XXV: 355 Dein. X: 17-19; XXIV: 14, 15, 17; XXVII: ;<;■ Ezech. XXII: 7.

(//) Exod. XXI: 26,-27.

Sluiten