Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Exodüs XXI. vs. 16.

*5>

Overjlen zijner wagenen t en zijner ruit eren (»). Hier uit blijkt, dat de flaavernij, onder de oude Hebreeuwen , niet overftond tegen de natuurlijke rechten der menschlijkheid, zoo als in het geval der West Indifche flaavernij , maar tegen krijgsdiensten , en aanzienlijke posten in den Staat. Neen; het leven der Kanaanijtifche volken zelfs werd hun door wreede flaavernij niet tot eenen last gemaakt. Want offchoon zij, vergelijkender wijze, flaaven waren, en uitgeflooten van rang en aanzien in de maatfchappij; zij ftonden nogthans onder de befcherming der Godlijke wet, en genooten de rechten van menfchen, hoewel niet die van burgers. Een gansch Verfchillendc cn wezenlijk onderfcheiden

ftand, derhalven, van dien der Negerflaaven in onze Plantaadjenl

Naardien het geval dier Kanaanijtifche Heidenen het eenigfte is in de wetten van Mofes, en in het gewettigd bedrijf der Israëlleren, het welk eenige overeenkoomst fchijnt te hebben met de perfooneele flaavernij, tegen welke ik thands pleit; zal het dienstig zijn, kortlijk te onderzoeken naar de redenen van het zelve.

Men merke dan aan, dat God, de Schepper van alle dingen zijnde, ook de volftrekte Eigenaar

C*0 1 Kon. IX: 30-22.

B a

Sluiten