Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Exodus XXI. vs. 16. 23

ke hun het zelve verleend was, ten voorfchijn te brengen. Doch het is blijkbaar, dat geen zoodaanig bewijs kan worden voordgebragt. — God was, onder dien verhevenften van alle eernaamen, JEHOVAH, niet flegts het voorwerp van godsdienstige hulde der uitverkooren Naatfij , maar ook haar burgerlijke Opperheer. De geheele bei'chreeven wet van dat Koningrijk, zoo wel burgerlijke, als zedelijke en kerki plegtige , was door Hem ingefteld; en van de onderhouding van dat faamenftel van wetten, door Jehovah voorgefchreeven, hing hun naatfionaal geluk en welvaart af. Nu is uit het gezegde klaar, dat de Godlijke verordening, welke den Hebreeuwen vrijheid gaf, om menfchen uit de omliggende Volken tot flaaven te koopen, behoorde tot het burgerlijk gedeelte van hun wetboek. Maar welke Naatfij zal thands durven beweeren, dat zij door een faamenftel van Godlijke wetten geregeerd wordt, of dat Jehovah haar burgerlijke Opperheer is? .— Het land Kanaan was door Jehovah uitdrukkelijk aan de Israëlleren ten erfdeel gegeeven; het welk hun recht gaf, om het zelve te overmeesteren en te bezitten. Maar welke Naatfij in Europa kan met den minften 1'chijn voorwenden, eene Godlijke gifte te hebben , van eenige bezondere ftreek op het vaste land B 4 van

Sluiten