Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Exodus XXI. vs. 16. 27

eenen Handel, zoo vernederend voor de menschlijkheid, en zoo hooggaande fnood en godloos.

Voords. Gefteld zijnde, dat het wettig en geoorloofd ware, onze onfchuldige medemenfchen te koopen en tot flaaven te maaken; dan zou men natuurlijker wijze moogen vraagen: Voor wien is het wettig en geoorloofd ? —1 en op welke foort van onfchuldige menfchen mag dat wilkeurig recht geoefend worden ? — Is het den Engelfchen, den Franfchen, den Europeers in 't gemeen, geoorloofd, de Afrikaanen te koopen en tot flaaven te maaken ? Doch van waar hebben zij, meer dan die zelfde Afrikaanen, dat verfchrikkelijk recht? Ferfckrikkelijk recht, zegge ik. Want het denkbeeld, dat eenig mensch, of ecnig Volk, het recht zoude bezitten , om den onfchuldigen te behandelen als of hij aan de fnoodfte euveldaaden fchuldig ware, is haatelijk en beleedigend voor de reden , het gewisfe, en het gezond verftand. Van waar dan, vraag ik, is dat recht afkoomstig? Spruit het hier uit voord , dat de Europeers het Christendom belijden , en de Afrikaanen Heidenen zijn ? Maar, gelijk die Heidenen menfchen , onze natuurgenooten , onze broeders zijn ; zoo is het Christendom de Godsdienst van waarheid en gerechtigheid, van goedwilligheid en vrede. Het verwekt in hun. die het

ken-

Sluiten