Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Exodus XXI. vs. 16. 49

vreemd land gevoerd , en aldaar tot flaaven gemaakt waren. Al verder verbeeldde ik mij, dat maar zeer weinigen onder de Britten, eenig medelijden met ons hadden; dat flegts hier endaar één, in zijne gebeden aan ons dacht, of eenige poogingen aanwendde, om of onze rampen te verOgten, ofte voorkoomen dat veele duizenden even onfchuldige menfchen, jaar. op jaar, in dezelfde ellenden gebragt wierden. Ik ftelde vast, dat ik, in zulk eenen toeftand, de Britten zoude befchouwen, als ten eenemaal ongevoelig voor de eer van hun naatfionaal karakter, onverfchillig omtrent de heilig (Ie rechten van den mensch, en ontbloot van alle aandoeningen der befchaafde menschheid. Ja, ik verbeeldde mij, dat ik, in vlaagen van hevige finert, hun onbarnu\ai % bcftaan met verontwaardiging zoude befchouwen — hen zoude aanmerken , als verflaafd aan het gewin der onderdrukking — als de maat hunner naatfionaale ongerechtigheden ophoopende — en als rijp voor Gods geduchte wraak.

Aan den anderen kant, ondertitelde ik, dat alle die duizenden van Negers, in onze West Indifche Eilanden, die zwoegen onder de wreede flaavernij, den waaren God kenden, en bewust waren van de gebeden van duizenden hier te lande, om eene fpoedige affchaffmg van den ijsfelijken Slaavenhandel op de kusten van Afrika, en eene geheele, doch trapsD »V

Sluiten