Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat moet dit geloof aan God in de ziel van een' Christen te wege brengen ?

48 II. AFDEELING.

boden en voorfchriften van Jefus leeringe.

2 Cor. 4. 13. Ick hebbe gelooft, daer om hebV ick gefproken.

Heb. 11. 1. Het geloove nu is een vaste, gront der dingen die'men hoopt.

Jac. 2. 18. Toont my uw' geloove uyt uwe wenken.

Dit geloof aan God, in zo verre zyab genadige geneigdheden omtrent boetvaardige zondaaren ons door Jefus leeringe nader zyn bekend geworden, moet eene werkzaame dankbaarheid, (blykbaar door eene oprechte gehoorzaamheid, aan alle zyne geboden, en door een' leevendigen moed ter verbetering des levens,) in de ziel van een' Christen te wege brengen, omdat hy , wegens zyne reeds begaane zonden, in het toekomende niets heeft te vreezen, en omdat hy op Gods magtige onderfteuning in het werk zyner heiliging zeker ftaat mag maaken.

Pf. 103. 1—4. Looft den Heere myne fie. Ie: ende al wat binnen in my is fynen heyligen name. Looft den Heere myne fiele, ende en vergetet geene van fyne weldaden. Die al uwe ongerechtigheyt vergeeft, die alle uwe krankheden geneest. Die uw leven verlost van

het

Sluiten