Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE STUK. 55

Gy en fult geen andere Goden voor myn aengefichte hebben.

Gy en fult u geen gefneden beelt, noch eenige gelyckenisfe maken, [van 't geene] dat boven in den hemel is, noch [van 't geene] dat ■ onder op der aerde is: noch [van 't geene] dat iii de wateren onder der aerde is. Gy en fult u voor die niet buygen, noch haer dienen: want ick de heere uwe Godt ben een yverig Godt, die de misdaet der vaderen befoeke aen de kinderen, aen het derde, ende aen 't vierde [lidt] der gener die my haten. Ende doe barmhertigheyt aen duyfenden, der gener die my liefhebben, ende myne geboden onderhouden.

Gy en fult den name des heeren uwes Godts niet ydelick gebruycken : want de heere en fal niet onfchuldigh houden, die fynen name ydelick gebruyckt.

Gedenckt des Sabbathdaeghs, dat gy dien heyliget. Ses dagen fult gy arbeyden ende al uw werck doen. Maer de fevende dagh is de Sabbath des heerenhwj Godts: [dan] en fult gy geen werck doen, gy, noch uw' fone, noch uwe dochter, [noch] uw' dienstknecht, noch uwe dienstmaeght, noch uw vee, noch uwe vreemdelingh, die in uwe poorten D 4 tf.

Sluiten