Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat is de pligt van cen'Christen, ten opzigte van de mild. daadigheid ter ondcrfteuning der armen ï

iio III. AFDEELING.

gaaven, tot onderfteuning der armen, 0f, openbaare aelmoesfen, die by iedere Godsdienstige vergadering, by iedere nachtmaalviering, en ook fomtyds by byzondere gelegenheid, tot hulp van behoeftige ennoodlydende ledenmaaten der gemeenten, ingefameld worden.

i Cor. 16. 2. Op elcken eerfien [dagh~] der weeke, legge een yegelik van u [yet] by hem felven wech, vergaderende eenen fchat, na dat hy welvaren verkregen heeft.

Hand. 2. 44. 45. Alle die geloofden — verdeelden [hare] goederen — aen allen, na dat elk van nooden hadde. — Vergel. met 2 Cor. 8. 2,-15.

Wat reeds, in het algemeen, ten dcezen opzigte de pligt is van een' Christen omtrent zyn'naasten, (ziebl. 74) is ook hier de pligt van hem, die met zynen behoeftigen en noodlydenden broeder, openïyk en gemeenfchaplyk, éénen God aanbid, en één geloof belyd; naamelyk: volgens het vermogen, dat God hem gegeeven heeft, mede te deelen,en wél te doen, gaarne te geeven, en daardoor ter afwending , of vermindering, van den nood cn de elende des naasten iets toe te brengen.

Rom.

Sluiten