Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE STUK. in

Rom. 12. 7. 8. [Laet ons die gaven hefteden,] — die barmhertigheyt doet, in blymoedigheyt.

1 Cor. 8. ir. 12. Gelyck als'er geweest is de volveerdigheyt des gemoets om te willen, daer oock alfoo zy het voleyndigen uyt het gene dat gy hebt. Want, indien te voren de volveerdigheyt des gemoets daer is, fo is yemant aengenaem na het gene dat hy heeft, niet na het gene dat hy niet en heeft.

1 Cor. 9. 7. Niet uyt droefheyt, ofte uyt nootdwangh. Want Godt heeft eenen blymoedigen gever lief.

By alle deeze en dcrgelyke Godsdiensti-' ge verrichtingen, moet de Christen het 1 wezendlyke, dat 'er eigenlyk door verkre-. gen moet worden, naamelyk, eene vaardigheid in het volbrengen van alle deugdenpligten, welken de Godsdienst voorfchryft, of, de oefening van waare Godzaligheid , niet verzuimen; volgens de merkwaardige les van den apostel: 1 Tim. 4. 8. De lichamelicke oeffeninge is tot weynig nut: maer de Godfaligheyt is tot alle dingen nat, hebbende de belofte des tegemvoordigen ende des toekomenden levens.

NA-

Vat is ook, ten pzigtc van al» j deeze Gods[ienstöefeninen, op temer-, :en?

Sluiten