Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3)

De LEEUWIN met zeeven KIN DEREN.

E en Leeuwin, die een dracht van zeven had gebaart,

En opgebracht tot rypheid van de jaaren,

Verkoos dat geen van hen zou met een ander paaren,

Vermits zy ieder een voor even vry verklaart.

Zy ftierf heel kort daar na, terwyl datdeez' Leeuwinnen,

Die zig elkander trouw beminnen,

Doen weeven eenen band die hen te zaamen bond,

Op dat zo iemand kwam die een van zeven fchond,

Zy noch elkander konden ftyven,

Om dus bevryd van ramp te blyven.

Zy groeide voort in rykdom, ftaat en eer

En wierden binnen kort den roem van heel de waereld.

Deez' was noch meêr dan die,met keur van glans bepaereld;

En alles wat men zag boog voor die Schoonen neêr.

Dit wekte in 't dierenryk (dit kan men ligt bevatten,

Want wie is niet jaloers op welvaart hoog te fchatten?)

Een wrok en wrev'len Haat

Sluiten