Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 15 )

De AAP en de ORANJE-APPEL.

Een Aap, den mensch gelyk, zat onder eenen boom Waar aan een Appel hing; dit doet zyn lust omfteken.

Waar op Hy zonder ichroom, Den boom beklom om Hem daar af te breeken. „6 (Zegt Hy) fchoone kleur, my meerder waard' guud,

„Hoe lekker zult Gy my als ik U opbreek fmaaken! „ Maar neen \ hoe zou ik dan aan afidre weêr geraaken ?

„En mooglyk wordGy kwaad als me op uwfchoon-

" „ heïd bouwd." Hy breekt Hem op - enproeft - '» Verfrisfenftealler vruchten!

„Wie zou uw byzyn tog ontvluchten?

„(Zegt Hyl nuhcb ik nergensvoor te duchten."

Hyeet hetbinnenfte op-en fmaaktnukernenbast—

„6 (Zegt Hy) welkeen fpys! hoe ben ik hier te gast!"

Maar voelt op't ogenblik vanbuikpyn zig zo kwellen,

Dat Hem bet gantfche lyf zodanig doet ontftellen,

Dat Hy die vrucht vervloekt. „ Had ikU nooit gefmaakt

„(Zegt Hy) gevloekte vrucht! 'kwaa niet ontfteld "geraakt."

De

Sluiten