Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C ?» )

De SCHEEPELINGEN en de ZEEMEERMINNEN.

Op'tmiddenvandenrugder buldrende Oceaan, Scheen Schip en Volk door een Orcaan, Op eenmaal naar den grond te gaan. Men bergt reeds alles weg; men kapt de mast aan (tukken, Op hoop dat dit verlicht, Een ieder past op zynen plicht,

Cf 't noch in 't eind wou lukken.

De Wind verflauwt, nu heeft men hoop,— Maar z:et, een ftoet van Zeemeerminnen,

Al kwisp'lend met de ftaart en roeyend met haar vin-

nen4,

Verhaasten haaren loop. Zy naaVen by het Schip en zien de Scheepelingen, Verlegen en bekommerd ftaan. Fluks vangt m^n aan te zingen, Op Nereus breeden waterbaan. Het Scheepsvolk ftaat en luisterd naar die Zangen, En blyfc aan toon en klank van die Sireenen hangen. En zo 'tervaaren Volk hun plicht niet had beftaan, IIet Schip en Volk waar ftraks vergaan; Dat nu behouden land aan zyn beftemde Haven, Terwyl 't Sireengezang voor eeuwig legt begraven.

De

Sluiten