Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 29 )

DeGOUDVINKende MUSCH.

Een Goudvink zatin 't Woud een fchelle toon te flaan,

En zag zig door een Musch in zyne zangen ftooren:

,,'kWil (riep de Musch) van U, die trotfche klank niet hooren;

,,Wil elders met uw ftem naar andere oorden gaan,

„U trotsheid kan my niet bekooren,

„k Zal anders U terftond doen imooren,

ïen minften U naar 't leven ftaan."

„Hoemy (antwoord de Vink) wat heb lk dan bedreven,

Dat Gy my dus benyd te leven;

„ 'k Vermaak den Wandelaar die deezen weg betreed,

„ En doe geen Dier of Mensch, wie't zyn mageenig leed.

„Gy zulttog hier van daan vertrekken,

„Of anders (zegt de Musch) zuit gy myn haat ontdekken. "

„ Ik uwen haat,

(Andwoord de Vink) zyt Gy zo kwaad ?

En is terftond zyn weg gevlogen,

Terwyl de Musch zig vond door 'sVooglaars hand bedrogen,

Die op een dunnen tak een ftrikje had gelegt, Waar in de Musch zig vond gehecht. +

De

Sluiten