Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 16)

Dit zijn de voornaemfte hinderpalen, welke dö voordgang van het Inftituut aen deeze plaets in den weg ftaen. Doch hoe onderfcheiden zijn onse beweegredenen} om de behoeftige jeugd te onderwijzen, van die welke ons worden toege^ fchrevenl hoe geheel verkeerd de handelingen van die menfchen , welke onze pogingen tegenftaen! — Zegt niet, gelijk gewoonlijk gezegd word, dat het onnodig zij, dat de lege klasfe der menfchen onderweezen word, dit moge de domme en dweepagtige Volksverleider voorgeven, om daer door zijne lage oogmerken des te beter te bereiken, het menschdom te misleiden, en zoo doende zijne, met de beminnelijke leer van jesus regelrecht aenlopende gevoelens, te verfpreiden — maer de mensch, de kristen moet geheel anders handelen. Niemand immers mag een Niet in de waereld zijn. Geen mensch, hoe gering ook, is een nutteloos weezen. In eiken kring van ons beftaen kunnen wij nuttig zijn, en hij, die reeds als jongeling opgeleid word, moet noodzakelijk verder komen, dan hij, die in meer gevorderde jaren eerst den grond, om nuttig te worden , liggen moet. — Voorheen toen de menfchen op zig zeiven leefden, en zig nog niet algemeen vereenigd hadden, was er zoo zeer geene verpligting, om anderen te verlichten, maer nu zij in gemeenfchap met elkan*

Sluiten