Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 7 >

leiding op te volgen, ten dien einde mijnen onderzoekgraagen geest bot te vieren, en aan de wereld van week tot week eene vraag van min of meer gewigt mede te deelen, daar van zoo ten naasten bij te zeggen, wat ik 'er van weet, en verder aan den Lezer te vragen, wat 'er hem van dunkt?

Aan Hof, om te vragen, zal het mij niet ontbreken. Als Huisvader, als Burger, als Mensch, als Christen heb ik veel, heel veel te vragen, om mij zeiven en misfehien veelen met mij aanleiding te geven , hoe wij ons in alle die betrekkingen best gedragen kunnen, ten einde als Burger, in de zorgelijkfte omftandigheden, een gerust en ftil Jeven te leiden; als Huisvader het beftuur van ons huis en de opvoeding onzer kinderen op de beste en meest-belovende wijze in te richten ; als Mensch ons geluk, naar het uit- en inwendige te bewerken , en als Christen, de pligten van den Godsdienst tot ons eeuwig en duurzaam heil te beoefenen.

Ja,eerwaardig Heer! ook U Eerwaardigen zal ik bijzondei" veel te vragen hebben. Het is immers alles in den Godsdienst niet zoo gefteld, niet zoo duidelijk, als het

wezen kon, gelijk het wezen moest ? Ik zal met

alle veneratie, als een eenvouwige leek, de vrijheid gebruiken, om, U Eerwaardige! mijne bedenkingen en twijfelingen voor te dragen ter oplosfmg. Maar magt-

fpreuken, verkettering, veroordeeling, zullen my niet voldoen. Deze en foortgelijke molikken kunnen geenen vraag-al verhinderen, om met vragen voort te gaan; of zou het in het godsdienftige niet waar zijn, dat men met vragen wijs wordt?

Zou ik ook de wereld met deze wïjze van Ichnjven niet ten mijnen voordeele innemen ? Het moet toch op den duur onaangenaam wezen , wanneer men altijd als een weetniet behandeld wordt, en dat de fchrijvers ons fteeds dingen, die men weet, zoo wel als die men niet weet, voorhouden, als of wij zoo onkundig waren als de Hottentotten in Jfrika, of als de Wilden aan de OMo en Oronoko? Ik fchrijf zekergcene Prijsvragen uit, myne Boekverkopers belooven geene medailles , dat blijve voor de menigvuldige Maatfchappijën van onzen tijd over! Maar geef ik evenwel door vragen niet dit getuigenis aan de Lezers, dat zij denkende wezens zyn? Erken ik niet, dat zij ook wat weten, dikwijls meer dan ik? Ik geef hun dan aanleiding, om zich tot zekere onderwerpen te bepaalen, en niets zou mij aangenamer zijn, dan indien iemand mij met zi'm antwoord op de ééne of andere vragen geliefde te ver-

ee-

Sluiten