Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 51 >

wel aankomen, en de tijd is thans zoo gunftig, men moet het ijzer fmeeden, terwijl het heet is.

Wat wilt gij daarmede zeggen, jonge Heer ?

Gij weet immers, mijn Heer! hoe veele Plaatzen 'er vakant zijn geraakt in de laatfte jaaren, en dat, de voorraad van Proponenten fober is, dus wil ik mij deze gelegenheid ten nutte maaken Het is een gouden eeuw, een gouden eeuw, mijn Heer! voor de Proponenten! Ik heb ook al de toezegging van eene Plaats, die na mi} wacht.

Dat begrijp ik klaar, mijn beste , dat het op deze wijze een gouden eeuw voor de Proponenten is; in mijne jeugd moesten die arme halzen dikwijls jaaren loopen, eer zij, al waren zij kundig, al hadden zij bekwaamheden, met moeite, en na veel beöordeelingen ook van de onkundigfte dorpelingen doorgedaan te hebben, een beroep kregen; toen 'er dertig of veertig Proponenten op een gering Plaatsjen kwamen folliciteeren. Doch, is 'er aan den anderen kant ook, ik zal niet zeggen, een zilveren, of koperen , maar een ijzeren eeuw op handen voor de Gemeenten en voor de Heeren zeiven, die thans zo gelukkig aankomen, om mij van uwe fpreekwijze te bedienen?

Eugenio keek mij met eenige bevreemding aan, en vraagde mij naar de reden van mijne bekommering.

Het verwondert mij niet, zeide ik tegen hem, goede Heer, dat mijn gezegde u eenigzins vreemd luidt; jonge lieden van uwe jaaren kunnen zeker nog geene eigene ondervinding bezitten, maar met drie woorden zal ik u opheldering geven. Toen het aantal Proponenten zoo menigvuldig was, begrijpt gij, dat, fchoon 'er zeker onder waren, d'e een kruiwagen hadden, veelen echter zich genoodzaakt vonden, om door bekwaamheid uit te munten, ten einde een beroep te bekomen; men hadt ook den G 2 tijd,

Sluiten