Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E

JONGELING

(No. 17.)

Den 24. July I7S6.

Hoe gelukkig is men niet, als men zich zo leert verblyden , dat ons de gewaarwording der blyJibhap alle dagen nieuw is! Ik verblydde my gisteren , en ik verbly my van daag weder zo , als oP ik van darg eerst leerde, wat Kyd fchnp is. De kleine plaizier-togtjes, die ik daaglyks na.ir het Land doe, om het vermaak van den Zomer te gemeten, leeren my de kunst , om nooit aan de bKdfchap gewoon te ■worden. Wat vergenoegen ondervind ik niet, waneer ik alle akkers rondom de ftad met afteidzaame Maaiers bezet zie! Ik beu zo vrolyk, als of ik eigenaar van alle de akkers was, op welke geoogst word. Ik zou alle myne dagen op het, Land kunnen doorbrengen, zo gevoelig ben ik voor het vermaak, dat my de vryë befchouwhig der geheele Natuur aldaar verlchaft. Ik gevoel alle de redenen, die Vntöuö# HÖR»1 tius , en Omtz bezield hebben . wanneer zy den lof van het Landleven zongen. Het Land ontvangt daaglyks duizend vernieuwde , en fteeds aangenaame gedaantens, terwyl in de ftad bykans alles eenvormig blyft.

Het Landleven heeft misfehien daar in het greotfte voorin recht

Sluiten